Parasha Tsav - Vreemd vuur


 

 

Zo brachten zij vreemd vuur voor het aangezicht des Heren, hetgeen Hij hun niet geboden had.” Lev.10:1b

Lezen: Leviticus 6:8-13

 

Het gaat in dit gedeelte niet om de betekenis van het brand-offer zèlf (zie daarvoor Lev.1:1-17), maar om de dienst van de priesters bij het brandoffer.


Het brandoffer moest dag en nacht in rook opgaan, God tot een liefelijke reuk (Lev.1:9).

Het vuur, eenmaal ontstoken bij de inwijding van de tabernakel (Leviticus 9:24), moest voortdurend blijven branden (6:13) en de priesters moesten het in gehoorzaamheid brandende houden. ook bij de inwijding van de tempel van Salomo kwam er vuur van God om het offer op het altaar aan te steken (2 Kronieken 7:3) . Zo ook bij Elia op de Karmel (1 Koningen 18:38).


Maar bij de inwijding van het priesterambt (Lev.9), toen de heerlijkheid des Heren aan het gehele volk verscheen, werden twee zonen van Aäron zo enthousiast dat ieder zijn vuurpan nam en daar vuur in deed met reukwerk erop, om dit, voor het aangezicht van de Here, in rook te doen opgaan. Vanuit de blijdschap van hun hart, gedreven door grote ijver, kwamen ze op dat idee. Maar God had het hun niet geboden! Dit was vreemd vuur, vuur dat niet in opdracht van God ontvlamd was en dat is voor God iets gruwelijks! (Lev.10:1-5)


God heeft geen behoefte aan vuur dat we op ons eigen houtje ontsteken! Hij vraagt ook niet om menselijk enthousiasme en ijver van het vlees.


Eerst was er grote vreugde toen God Zelf het brandoffer, dat op het altaar was neergelegd, met vuur vanuit de Hemel verteerde. Het volk juichte en wierp zich op het aangezicht (Lev.9:24). Maar Nadab en Abihu doofden de hemelse blijdschap door met een eígen inbreng God te gaan dienen.


God heeft op Shavuot,  de Pinksterdag Zijn heerlijkheid geopenbaard door neer te dalen met vuur vanuit de hemel (Hand.2:1-13). Vuur dat bij God vandaan komt houdt meestal een oordeel in.  De zonden die beleden werden in een offer werden ook veroordeeld.   Het laat Gods heiligheid zien. Het Pinksterfeest was een voorafbeelding van wat in Joël 2:28 tijdens het oordeel plaatsvindt, vlak voordat het Vrederijk (het Koninkrijk van God op aarde) aanbreekt  en wat in Handelingen 2 wordt aangekondigd:

Handelingen 2:17-21

17. En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw jongemannen zullen visioenen zien en uw ouderen zullen dromen dromen.
18. En ook op Mijn dienaren en op Mijn dienaressen zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren.
19. En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed, vuur en rookwalm.
20. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en ontzagwekkende dag van de Heere komt.
21. En het zal zo zijn dat ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden.

 

Psalm 97:2 Wolken en donkerheid zijn rondom Hem, gerechtigheid en recht zijn het fundament van Zijn troon.
3. Vuur gaat voor Zijn aangezicht uit en zet rondom Zijn tegenstanders in vlam.

De doop met vuur, waarover de Bijbel spreekt, is geen evangelisch feestje.  
Johannes de Doper maakt melding  van een vuurdoop.

Het wordt slechts op twee plaatsen vermeld: Mattheüs 3:7-12 en Lucas 3:7-17. Iedere gelovige zal, als het goed is, een vuurdoop ondergaan als zijn geloof wordt aangevallen, als hij wordt beproefd, als hij moet volharden om niet af te vallen van het geloof. Het is een proces van loutering om geschikt gemaakt te worden voor het Koninkrijk van God. Het is geen echt vuurritueel, maar het heeft een geestelijke betekenis. Iets dergelijks zien we ook uitgebeeld in wat Paulus schrijft:

1 Korinthe 3:10-15

10. Overeenkomstig de genade van God die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd en een ander bouwt daarop. Ieder dient er echter op toe te zien hoe hij daarop bouwt.
11. Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus.
12. Of nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro,
13. ieders werk zal openbaar worden. De dag zal het namelijk duidelijk maken, omdat die in vuur verschijnt. En hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven.
14. Als iemands werk dat hij op het fundament gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen.
15. Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden. Hijzelf echter zal behouden worden, maar wel zo: als door vuur heen.

We schreven hierboven: God heeft geen behoefte aan vuur dat we op ons eigen houtje ontsteken! Hij vraagt ook niet om menselijk enthousiasme en ijver van het vlees. Zo moet ook van onze werken  blijken dat ze in Christus, overeenkomstig Gods Woord,  op Zijn fundament zijn gedaan. Maar als we standhouden zullen we loon ontvangen volgens vers 14. 


Alles wat uit  het eigen enthousiasme ontstaat is de inbreng van 'eigen vuur'  en zal Gods toorn wekken en ons verteren, net als de zonen van Aäron! Maar er is genade. Als we eerlijk belijden dat we onze eigen leefregels volgden en niet die van God, dan vergeeft God van harte. Maar het komt precies bij God! Hij is een heilig God en Hij zegt: 'wees heilig, want Ik ben heilig!'. (1 Petrus 1:15-16)

Dat kunnen we leren van wat er met Nadab en Abihu gebeurde. 

Dagboek van 11 augustus  - Het dagboek is door mij aangepast en uitgebreid. 


Maak jouw eigen website met JouwWeb