Parasha Pikoedé - Karen Strijker

We lezen Exodus 38:21-40:38; uit de Haftara is 1 Koningen 7:51-8:21 en we lezen Hebreeën 8:1-12.

 

Pequdé komt van het werkwoord páqad wat een heel bijzonder werkwoord is door zijn vele betekenissen. Zo zegt God streng in Exodus 20:5 dat Hij de zonden van de ouders bezoekt (paqad) aan de kinderen, maar evenzogoed ziet Hij om (páqad) naar Sarai in Genesis 21:1 met het doel haar ‘schoot te openen.’ Dit veelzijdige werkwoord betekent ook aanmonsteren, in dienst nemen en in dit geval ook optellen/opbrengen of inventariseren.

 

Deze Parasha gaat verder met de beschrijving van de bouw van de Tabernakel en de kosten ervan worden genoemd. We kunnen als het ware zíen hoe dit gaat omdat het geschreven staat dat dit gebeurt door de mond van Moshe en de hand van Ithamar, de zoon van Aharon. Alle goud en zilver gaat door de handen van Ithamar terwijl Moshe de getallen uitspreekt. Altijd beter om zoiets belangrijks met zijn tweeën te doen.

 

De Tabernakel wordt hier overigens de Tabernakel der Getuigenis genoemd. Dit omdat de Tien Woorden erin worden bewaard.

 

We hebben in de vorige Parashoth al gezien dat Betsalel (zijn naam betekent in de schaduw van God; be tsel El), de kleinzoon van Hur, alles vervaardigt wat God via Moshe geboden had, terwijl Oholiabh (Vader is mijn tent) met name zeer bedreven is in borduurwerk. Mannen, dat is dus geen vrouwenwerk alleen! Bijzonder dat hun beider namen te maken hebben met de beschutting die God geeft. Dat is geen toeval.

 

Een talent (ca. 50 kg) goud heeft in die tijd een waarde van 3.000 zilverstukken (kesef). We hebben het in vers 24 over 29 talenten dus dat is 29 x 3000 = 87.000 zilverstukken aan waarde. Het gewicht van 29 talenten is 29 x 50 = 1450 kg. Dan wordt ook gesproken over sikkelen; een sikkel weegt 11,4 gram, 730 sikkelen is dan 83,22 kilo. Het gehele gewicht aan goud is dan bij elkaar 1450 + 83,22 = 1533,22 kg. De gehele waarde bij elkaar aan goud kan ongeveer worden geschat op een kleine 180.000 euro in onze tijd. (Bron: Pentateuch J.H. Hertz).

In vers 25 weegt het zilver 301.775 shekel. Dus is het getal van de getelde mannen twee maal zoveel, ieder betaalt immers een halve shekel, dus 603.550 shekel.

 

De voeten van de staanders voor de Tabernakel worden gegoten uit 5000 kilo zilver (100 x 50 kg). De haken om de gordijnen aan te haken worden gemaakt uit de resterende sikkelen zilver. Hoe sjouwde men al dat gewicht mee in de woestijn!?? Het koper of brons voor het altaar, het rooster en het werkgerei weegt ca. 3 ton!

 

De voeten van de staanders voor de voorhof en poorten worden ook allemaal van koper gemaakt. Koper/brons is nachash -נחש- en dat betekent ook slang. De koperen slang wordt later in de woestijn gemaakt en aan een paal gestoken zodat eenieder die door een slang gebeten is en naar de koperen slang opkijkt, genezen wordt van de gevolgen van de beet. Het getal van nachash (iedere Hebreeuwse letter is tegelijk een getal) is gelijk aan het getal van Mashiach -משיח, namelijk het getal 358. Dit is geen kabbala, maar wel heel wonderlijk. De koperen slang wordt op een paal gestoken voor genezing, redding van de dood door de beet en de Messias is ook aan een paal gehangen en eenieder die naar Hem opziet in geloof is gered van zonde en dood; het was de slang die zonde en dood in de wereld bracht in Genesis en de Messias herstelt de werking van de slang door aan een paal te hangen en te sterven voor onze zonden. Dit is allemaal geen toeval.

 

Wat betreft de priesterkleding: dit wordt onder leiding van Betsalel en Oholiabh gemaakt door het volk. Daar zit iets moois in; het wordt niet opgelegd aan het volk, nee, het komt uit hun eigen handen, ze werken mee aan een manier om God te vereren.

We lezen Exodus 38:21-40:38; uit de Haftara is 1 Koningen 7:51-8:21 en we lezen Hebreeën 8:1-12.

 

Pequdé komt van het werkwoord páqad wat een heel bijzonder werkwoord is door zijn vele betekenissen. Zo zegt God streng in Exodus 20:5 dat Hij de zonden van de ouders bezoekt (paqad) aan de kinderen, maar evenzogoed ziet Hij om (páqad) naar Sarai in Genesis 21:1 met het doel haar ‘schoot te openen.’ Dit veelzijdige werkwoord betekent ook aanmonsteren, in dienst nemen en in dit geval ook optellen/opbrengen of inventariseren.

 

Deze Parasha gaat verder met de beschrijving van de bouw van de Tabernakel en de kosten ervan worden genoemd. We kunnen als het ware zíen hoe dit gaat omdat het geschreven staat dat dit gebeurt door de mond van Moshe en de hand van Ithamar, de zoon van Aharon. Alle goud en zilver gaat door de handen van Ithamar terwijl Moshe de getallen uitspreekt. Altijd beter om zoiets belangrijks met zijn tweeën te doen.

 

De Tabernakel wordt hier overigens de Tabernakel der Getuigenis genoemd. Dit omdat de Tien Woorden erin worden bewaard.

We hebben in de vorige Parashoth al gezien dat Betsalel (zijn naam betekent in de schaduw van God; be tsel El), de kleinzoon van Hur, alles vervaardigt wat God via Moshe geboden had, terwijl Oholiabh (Vader is mijn tent) met name zeer bedreven is in borduurwerk. Mannen, dat is dus geen vrouwenwerk alleen! Bijzonder dat hun beider namen te maken hebben met de beschutting die God geeft. Dat is geen toeval.

 

Een talent (ca. 50 kg) goud heeft in die tijd een waarde van 3.000 zilverstukken (kesef). We hebben het in vers 24 over 29 talenten dus dat is 29 x 3000 = 87.000 zilverstukken aan waarde. Het gewicht van 29 talenten is 29 x 50 = 1450 kg. Dan wordt ook gesproken over sikkelen; een sikkel weegt 11,4 gram, 730 sikkelen is dan 83,22 kilo. Het gehele gewicht aan goud is dan bij elkaar 1450 + 83,22 = 1533,22 kg. De gehele waarde bij elkaar aan goud kan ongeveer worden geschat op een kleine 180.000 euro in onze tijd. (Bron: Pentateuch J.H. Hertz).

In vers 25 weegt het zilver 301.775 shekel. Dus is het getal van de getelde mannen twee maal zoveel, ieder betaalt immers een halve shekel, dus 603.550 shekel.

De voeten van de staanders voor de Tabernakel worden gegoten uit 5000 kilo zilver (100 x 50 kg). De haken om de gordijnen aan te haken worden gemaakt uit de resterende sikkelen zilver. Hoe sjouwde men al dat gewicht mee in de woestijn!?? Het koper of brons voor het altaar, het rooster en het werkgerei weegt ca. 3 ton!

 

De voeten van de staanders voor de voorhof en poorten worden ook allemaal van koper gemaakt. Koper/brons is nachash -נחש- en dat betekent ook slang. De koperen slang wordt later in de woestijn gemaakt en aan een paal gestoken zodat eenieder die door een slang gebeten is en naar de koperen slang opkijkt, genezen wordt van de gevolgen van de beet. Het getal van nachash (iedere Hebreeuwse letter is tegelijk een getal) is gelijk aan het getal van Mashiach -משיח, namelijk het getal 358. Dit is geen kabbala, maar wel heel wonderlijk. De koperen slang wordt op een paal gestoken voor genezing, redding van de dood door de beet en de Messias is ook aan een paal gehangen en eenieder die naar Hem opziet in geloof is gered van zonde en dood; het was de slang die zonde en dood in de wereld bracht in Genesis en de Messias herstelt de werking van de slang door aan een paal te hangen en te sterven voor onze zonden. Dit is allemaal geen toeval.

 

Wat betreft de priesterkleding: dit wordt onder leiding van Betsalel en Oholiabh gemaakt door het volk. Daar zit iets moois in; het wordt niet opgelegd aan het volk, nee, het komt uit hun eigen handen, ze werken mee aan een manier om God te vereren.

 

Bijzonder is ook het echte gouddraad dat wordt gebruikt van platen goud die zeer fijn gedreven zijn en daarna in draden gesneden, dit wordt door het blauwpurper, roodpurper, scharlaken en fijn linnen verwerkt, een kunstwerk, zo staat het in 39:3.

 

De efod -אפוד- is het korte priesterkleed waarop de stenen komen die de stammen van het volk representeren. Het heeft geen mouwen en het wordt aan elkaar gebonden bij de schouders met schouderbanden. Er is een efod voor elke priester, die is eenkleurig en er is een efod voor de hogepriester, die is veelkleurig en met gouddraad.

 

Twee sardonyxstenen worden op de schouderbanden, die de efod van de hogepriester bij elkaar houden, geplaatst en op die twee stenen worden de namen van de stammen Israëls gegraveerd, zes op de ene steen en zes op de andere steen. Dit zijn gedenkstenen zodat God bij het zien ervan de stammen gedenkt (Exodus 28:9:12).

 

Sardonyx is in het Hebreeuws shoham -שהם. In het woord shoham zien we het woord shem -שם, naam. De namen staan niet voor niets gegraveerd in juist deze steen. Ook de Hé -ה, de verwijzing naar de Godsnaam JHWH -יהוה- zien we in shoham staan. God, Die Zich de namen van de stammen herinnert. (Vaak wordt in synagogen de Naam van God aangegeven met ה׳- en dan is ׳ geen Jod maar een apostrofje, er staat dus alleen een Hé met de apostrof als verwijzing naar de rest van de Naam).

 

De borstlap voor Aharon was van dezelfde veelkleurige stof met gouddraad erdoor geweven en daarop komen de edelstenen die voor elke stam ‘staan.’ Drie op een rij van rechts naar links en vier rijen onder elkaar. Met de naam van elke stam in een steen gegraveerd. Aan de hoeken komen kettinkjes van puur goud wat de borstlap aan de Efod verbindt. Alle stenen zijn gevat in goud. Wat moet dat prachtig zijn geweest!

De stenen zijn odem -אדם- en dit is hetzelfde woord als adam, mens en edom, rood. Het is dat ook de rode robijn of sardis. Dan als tweede de topaas, pitdáh -פטדה. De derde steen is een karbonkel, pareqet -פרקת.

De tweede rij stenen bestaat uit de smaragd, nophekh -נפך, de saffier, sapir -ספיר- en de diamant, jahalom -יהלם en er is een werkwoord waaruit dit voortkomt: halam -הלם- wat betekent: hameren, slaan. Een diamant wordt uitgehakt, uitgeslagen uit een ader in de aarde.

 

De derde rij stenen bestaat uit de leshem -לשם, hyacint; de agaath, shbho -שבו- en de achlámáh -אחלמה, de amethist. Het werkwoord van amethist is chalam: sterk, gezond zijn.

 

De vierde en onderste rij bestaan uit de turkoois, tarshish -תרשיש, de sardonyx, shoham -שהם- en de jaspis, jáshpeh -ישפה.

 

Wat betreft de ‘orakelstenen,’ de Urim en de Thummim, die voor staatszaken gebruikt konden worden: er is tot op de dag van vandaag niet duidelijk wat dat precies zijn en hoe ze werden gebruikt, ook niet of het andere stenen zijn dan de twaalf stenen of dat ze de gehele borstlap representeren, daar is dispuut over. De geschiedkundige Flavius Joséphus zegt het één en de Talmoed (mondelinge overlevering) zegt het ander. We gaan er hier lekker niet over ruziën. Urim -ארים- betekent: lichten en thumim -תומים- betekent: de perfecten. Door deze meervoudsuitgangen in deze woorden, weet men zelfs niet hoeveel Urims en Tumims er dan zijn geweest. Er zijn overigens geleerden die denken dat ze in de borstlap, die dubbel genaaid is zodat er een soort zakje is ontstaan, werden gedaan. Het is onduidelijk, ook hoelang ze werden gebruikt. Er staat bijna niets over geschreven in de Bijbel waardoor er duidelijkheid komt, wel onder meer in 1 Samuel 28:6 waar Saul bij Endor aan God om duidelijkheid vraagt over zijn toekomst en die van het volk als de Filistijnen aanvallen. God antwoordt hem daar niet.

 

Een hemelsblauwe mantel krijgt Aharon nog om over de Efod met de borstlap en sardonyxstenen aan te trekken. Belletjes en granaatappeltjes van goud aan de zomen. Niet zo lang geleden is in Jeruzalem zo’n belletje gevonden door archeologen. Die belletjes zijn bedoeld om de priester te kunnen horen wanneer hij in het Heilige der Heiligen is, als het volk in de voorhof de belletjes nog hoort rinkelen dan weten ze dat hij nog leeft, dat God zijn offer heeft geaccepteerd.

 

Ondergoed, rokken en een tulband van fijn linnen voor Aharon en mutsen voor zijn zonen maken het geheel af. Een gordel komt er nog bij en een tekst voor op de tulband voor Aharon. De tekst wordt gegraveerd op een plaat van puur goud: Heiligheid aan de Heere, qodesh l’JHWH -קדש ליהוה.

 

Dan keurt Moshe al het werk dat het volk heeft gemaakt goed en hij zegent het volk (39:43).

Een jaar is voorbijgegaan sinds de uittocht uit Egypte, dit gebeurde op de veertiende dag van de eerste maand, de maand Aviv en God zegt Moshe om de Tabernakel op te richten op de eerste dag van de eerste maand, een jaar later dus. De maand Aviv is ongeveer in maart van onze gregoriaanse telling van de maanden.

 

Moshe begint de Tent, waar de Ark des Verbonds in komt te staan, op te zetten, hij doet dat niet uit zichzelf maar wacht op Gods bevel. Hij moet alle gereedschap en alles wat zich in de tabernakel bevindt zalven zodat het heilig wordt. Het is zo mooi dat God de heiliging aan een mens overlaat, het hele gebeuren van de bouw van de Tabernakel is een menselijk gebeuren, het volk trekt als het ware de Tabernakel naar zich toe met hun eigen handwerk, iedereen heeft, zoals gezegd, meegedaan en dus mag iedereen trots zijn op het resultaat. Zoals God troont op de lofzangen van Zijn volk, zo komt Hij ook nu naar beneden om te wonen in het handwerk van Zijn volk. Wie is als Hij?

 

Wanneer Moshe alles gezalfd heeft trekt hij Aharon en zijn zonen de priesterkleding aan en heiligt ook hen door hen te zalven voor hun taak.

 

Als alle gereedschappen op hun plaats staan en de Ark is binnengebracht, wassen Moshe, Aharon en zijn zonen hun handen en voeten en daarna richt Moshe de voorhof op voor het volk.

 

Dan komt God wonen in het voor Hem bereidde Huis. De God, Die hemel en aarde heeft geschapen, wil zo graag bij de mens zijn dat Hij er een aards verblijf in een kleine Tent voor over heeft, Zijn volk in tentjes, Hij ook, zo vereenzelvigt de grote God Zich met Zijn kleine volkje, op naar het Beloofde Land alwaar Zijn Tempel ooit zal verrijzen. Overigens staat er in vers 35 dat Moshe niet kan ingaan in de Tent door de kracht van God, de wolk. Het is nu dan ook Moshes plaats niet meer, zijn taak zit erop en nu is het verder aan Aharon en zijn zonen om daar dienst te doen.

 

Later in de geschiedenis mag Shlomo, de zoon van David, dat Huis des Heren bouwen in plaats van zijn vader, want deze heeft bloed aan zijn handen door de vele oorlogen die hij heeft gevoerd in zijn leven. Shlomo daarentegen heeft aan alle kanten vrede, zoals zijn naam al zegt. De Tempel van God is in volmaakte vrede gebouwd.

 

In 1 Koningen 8:2 staat het woord ethaniem -אֶתָנִים- en wat betekent dat: het is een oud woord voor de zevende maand. De Babylonische naam is Tishri, deze benaming is heden ten dage nog steeds gangbaar.

 

Dan staat er in 1 Koningen 8:12 iets typisch: ‘Toen sprak Shlomo:’De HERE zei dat Hij gaat wonen in duisternis.’ De God van het licht, Die woont in duisternis, in araphel -עֲרָפֶל. Dat is toch best vreemd te noemen. Kijken we naar de binnenwoorden van het woord araphel, dan valt meteen het woord ar -עָר op: vijand. God betoont Zich een Vijand aan degenen die Hem versmaden: ‘Jacob heb ik liefgehad, maar Esau heb ik gehaat.’ Draaien we ar ער om dan krijgen we ra רַע wat betekent slecht, kwaad. Maar wat is het typische dat God in die duisternis is, zoals de Psalmist van Psalm 119 zegt in vers 11. Hij kan het kwaad

aan!

 

Er is met het woord araphel ook een heel mooi woordverband met het woord voor genezen: rapha -רָפָא. Hij, Die de wolk verkiest om zich te vestigen zal Zich, in Zijn oneindige liefde voor mens en dier, als Geneesheer betonen.

 

Hij woont dus in een donkere wolk. Het woord voor wolk is het woord ánán -עָנָן, ook een wolk van wierook is hetzelfde woord in het Hebreeuws, zoals beschreven in Leviticus 16:13, waarmee Aharon het Heilige der heiligen in mag gaan, deze wolk moet voor het Aangezicht des HEREN als een lieflijke reuk zijn, anders zal Aharon sterven. Zelfs aan de priester kan God Zich een vijand betonen. De wolk is bedoeld om God zowel als Aharon te bedekken; tempert het felle licht van God zodat Aharon kan blijven leven. Toch spannend hoor….

 

Jehoshua de Zoon van God bouwt Zelf een tabernakel, ‘niet met mensenhanden gebouwd.’ Drie ‘gestalten’ hebben we hiermee genoemd die met de bouw van Gods huis bezig zijn. De Zoon van God hebben we gezien in vier Gestalten: als Mensenzoon; als Lam, als Hogepriester en als God. De Hebreeënschrijver merkt volkomen terecht op dat als Jehoshua nu op aarde zou zijn, dan niet als Hogepriester; in de tijd dat hij dit schrijft worden er hoogstwaarschijnlijk nog offers gebracht in de Tempel, maar Jehoshua heeft voor eens en voor altijd Zichzelf geofferd en is Middelaar van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust (Hebreeën 8:6). Dit verbond berust op Zijn Eigen Onsterfelijkheid. Let wel, de Wet is niet veranderd, dat is iets anders, maar Hij is gekomen om te helpen de Wet te houden want, zegt God Zelf: ‘Ik zal Mijn wetten in hun verstand leggen en in hun harten schrijven (vs 10).’

 

Karen Strjker - Na'aleh Israël

 

 




Maak jouw eigen website met JouwWeb